Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan vergasten aan het voortreffelijk hier uit het banale panhuis te Oirsbeek, in eigendom toebehoorend aan den prins de Lignij; het is bovendien nog van morgen met het oog op het heden te vieren feest ge\ isiteerd en gekeurd door de schepenen van liet dorp.

Het ziet er recht vroolijk, feestelijk uit in de gelagkamer; de schoongewasschen stoelen en banken \an grenenhout staan in lange rei langs de wanden, voor den haard onder de schouwe een ijzeren barrière; lepels en vorken, tusschen een lederen riem aan den muur gespijkerd, blinkend gepoetst; op het scliotelrek boven den schoorsteen de tinnen teljoren en drinknappen helder, glanzend geschuurd.

In een hoek een aantal ronde vaten, omcirkeld door roestige repen.

Op eeu dezer, als een groom, een klein, gebocheld wezen, in de hand eeu ontkleurde viool, steunend op de knie.

Achter eeu hullet, waarop tal van hooge glazen met handvatsels, een dikke, breedgeschouderde man met kwabbewangen, de borst, bedekt met een tot aan zijn knieën reikend geel camisool.

Een hartelijke lach om zijn vette speklippen als de optocht den vloer betreedt en tegelijkertijd een wenk aan den vioolspeler.

Deze is inmiddels op een ton gekropen en krast met vlugge armbewegingen het:

„Lang zulle ze leve Lang zulle ze leve En in gloria En in gloria".

Sluiten