Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jeskeuning, dè, aon uch laot ich er ein veur drei gulle, dao verleer ich op — God maog mich straoffe es et neet waor is — mè toch doou ich et, allein umdet geer die kèls oet Bornsheim zoi'n pruugel höbt gegeve, want dat zien gierebasten, die haat ich."

„Doog et 1 torus," raadt Tine hem aan „gel dicli d'r ouch ein."

Ook de jonge Ackermans teekent zijn naam.

„Nog mië luu, neemes mië, noe dan adie jongens veul plezeer" en den marskraam weer draaiend op zijn rug, verlaat bij de herberg, groetend ben allen met valschen spotlach.

Nog lang daarna duurt de feestvreugde, tot de duister invalt, de tijd, waarop volgens uitdrukkelijk bevel van den pastoor de meisjes niet meer in de herbergen met de jongens mogen vertoeven.

Hoog uitzingend de dolle feestvreugde keeren allen naar huis, de meesten wankelend in breede zigzaglijnen.

Weer alles rustig en kalm, weer die stilte, die eentonige regelmaat, dat gewoon alledaagscli gedoe van een dorp in het begin der negentiende eeuw, toen nog geen afstand verzwelgende spoorwegen en stoombooten dorpen, gehuchten en steden aan elkander verbonden, dat leven zonder begeerten, zonder hartstochten, zonder emoties; dat leven voor en bij elkaar, in die kleine wereld, waarvan de horizont de grenslijn was; weer dat gelukkig zijn en dat tevreden zich voelen in dat niet meer verlangen dan het dagelijksch brood, waarvoor zij baden en arbeidden.

Sluiten