Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch dezen hebben den moed niet een enkelen stap voort te gaan, weerhouden door de op bun borst gerichte wapens der boeren, die hen van alle zijden omringen.

Daar verschijnen uit het huisje van Ackermans de soldaat met hoog gezwollen oogen, het gelaat met bloed bevlekt en de onderofficier, witbleek, den arm slap langs het lijt'.

Met gejouw en schaterend hoongelach worden zij begroet.

„Geer moos Napoleon inviteere um em zeivers te komme hole" spot er een en weer dat algemeen gillen en schetteren.

Snel trekt de colonne mobile terug, de tanden op elkaar geklemd, smorend hun drift bij die vernederende, beleedigende uitroepingen, hun telkeusen telkens nageschreeuwd door de hen steeds immer volgende boeren.

O konden zij maar hun geweren lossen op dat gespuis, konden zij er slechts een paar doodschieten, maar dat durfden zij niet; velen van die lummels hadden óók geweren.

Zóó tot ver buiten het dorp.

„Laote veer noe mer truk goon" meent een deivervolgers: „ze zulle noe de weeg waal allein könne vinje."

„Compleminten aon Napoleon1 schreeuwt een ander.

Blijde, opgewekt, trotsch op hun zegepraal, keeren zij terug, enkelen luid zingend en joelend, anderen in druk gesprek; ze begrijpen nu, waarom

Sluiten