Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een harde handslag en de oude wil vroolijk, opgewonden het vertrek verlaten.

Bij de deur wendt hij zich nog even om.

„Pastoir, niks aon Dorus zekke van det mit Tine, want er zou trukkomme, ik verassereer uch, er zou trukkomme.11

„Ich versprèk et uch."

„En wannië, moot ich d'n breef komme holen veur d'n pastoir te Bornsheim?"

„Dé kom ich uch zelf bringe, op het ougeblik dat geer vortgaot."

„Good pastoir, good, honderdniaol dank."

Weer nieuwe huiszoekingen, zoo zorgvuldig mogelijk in alle mogelijke hoeken en gaten, alles zonder eenig resultaat; er is geen spoor der vluchtelingen te ontdekken en op het telkens herhaald vragen: „waar zijn ze," wordt ook telkens door de achtergeblevenen schouderophalend geantwoord: „ich weit et neet, zeuk ze zelf mer."

„Wij zullen ze vinden en heel gauw ook, wacht maar, sales cochons, que vous êtes, antwoordt eens een onderofficier en enkele dagen later is weer een groote troep soldaten uit Maastricht in het dorp gekomen. Met behulp van de hier in kwartier liggende Franschen, die als gids moeten dienst doen, wordt het bosch omsingeld, waaruit gisterenavond nog rookkolommen zijn gezien; elke holle boom wordt onderzocht ; de struiken met bajonetten doorstoken, alles te vergeefs; de collonne trekt verder in de richting van andere bosschen, doch met denzelfden

Sluiten