Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leers willen aanraken, toen hij haar in de kerk eens op detoppenzijnervingerenhetwijwaterheeft aangeboden, terwijl zijden volgendenZondag, daarentegen met vriendelijken knik dit wel van Bartels heeft aangenomen.

Yrauat dit oogeublik een vinnige haat tusschen die beide mannen.

Kwakeleers, de sterkste jongen van het dorp, de man, die jaren lang de broodjeskoning is geweest, moet thans bij dat mooie meisje het onderspit delven voor den zwakkeren, voor dien bijlooper der strijders van Bornsheim.

0! die vernedering is te grievend, die smaad te pijnlijk geweest.

Hij zal zich wreken — hoe, dat weet hij nog niet; 't is hem ook ten eenenmale onverschillig, maar die voldoening voor de hem aangedane beleediging zal hij hebben, vroeg of' laat, 't komt er niet op aan.

Ln hij vindt steun en bijstand in de ijverzucht der dorpsschoonen, die het een schandaal vinden, dat een hunner jongens zich zoo terstond heeft laten inpalmen door zoo'n vreemde meid.

Ze is mooi, dat willen zij niet ontkennen, de mooiste van hen allen, de bloem van het dorp, maar hij kent toch niks anders van haar, dan baar gezicht; hij weet niet eens of ze handen aan haar lijf heeft om te werken, of ze den pot kan koken; ze hebben haar zelts nog nooit een aardappel zien schillen, dat doet de moeder altijd.

De jonge blokzager stoort zich niet aan die kwaadwillige woorden, die slechts hun oorsprong vinden in haat en jalousie.

Sluiten