Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Joffer Lahaie" begiut hij met hakkeleude stem.

„Waat hübt geer Bartels" vraagt zij in een veinzerij van niet begrijpen.

„Icli zou gèr ett'ekes mit uch kalle."

„Ich begriep neet, waat geer mich te zekke höbt," liegt ze.

„Geer zult waal gemerk höbbe, joffer Lahaie, dat ich geuiëigheid in uch hüb; icli höb zin in uch gekrege, sebiet es ich uch zaog en ich geluif, dat geer mich ouch e bitteke maogt lieë."

Zij antwoordt niet; zij slaat slechts neer hare donkere oogen.

En terwijl hij zaclitkens hare hand grijpt: „uoe zou ich uch wille vraoge... of' geer mich wilt accepteere es eure caressaut."

Een chaos van gedachten, die eensklaps haren geest doorkruisen, die jongen, dien ook zij liefheeft, vraagt haren carressant te mogen zijn en tegenover dien liefste zal ze moeten liegen, altijd liegen, niet eens haar naam zal ze hem mogen zeggen, want ze lieett den pastoor van Eckeldonck moeten beloven met de hand op het crucifix, dat ze nooit, nooit hun geheim zal openbaren aan niemand, aan niemand ter wereld; het is haar bekend, dat ze beide geestelijken in het verderf zal storten, indien zij dien eed verzaakt, want er stonden zware straffen op het hulp verleeuen aan deserteurs, zelfs op het niet aanwijzen van hunne schuilplaatsen en de pastoor van Eckeldonck had haar broeder verborgen, terwijl ook Je Godsdienaar van Bornsheim op dit oogenblik zijn verblijf kent.

Sluiten