Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ Durfste neet, durfste neet, umdet ich sterker bin, good, ich zal de partieë geliek nuike" en hij werpt ver weg den stok: „allo kom noe op, doe mit diene stek, ich allein mit m'n voes."

Nog immer geen beweging in dat lijf; roerloos blijft hij staan als vast in den grond.

„Allo kom dan toch op."

„Jongens" hakkelt Dries eindelijk met angstig benepen stem, „ich höb mit dem niks te make, 't is geine jong oet Bornsheim, wie er zelf zeet."

Scherpe, gillende kreten, scheldwoorden, vermaledijdiugen, die van alle zijden den bloodaard worden toegesnauwd en nog altijd in bange lafheid een niet durven zich bewegen.

„De durfs alsoo nog neet, wach dan get; toen met enkele stappen tot vlak voor zijn tegenstander en hij spuwt hem in het gezicht.

Even een woedeflikkering in diens oog, een korte beweging van den arm omhoog, maar bijna onmiddelijk valt weer de slap in de hand rustende stok op den grond.

En de andere jongens van Bornsheim, zijn vroegere kameraden, in hun beleedigde verontwaardiging schreeuwen den vreemdeling toe: „jaogem vort, smiet em van de wei, dè verdomde lafbek, dè 't ganse durp veraffronteert."

„Good jongens, geer zult eure zin höbbe; ich zal em vortjage, want er is mich te gemein en te vies um em aon te rake" en dan met gebiedend gebaar, den arm wijd uitgestrekt „allo vort, onnut, gemein loeder, sebiet vort."

Sluiten