Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun walging uit op den grond, als hij hen voorbijgaat, maar 't deert hem niet.

Hij nadert zijn wraak, hij is haar reeds nabij.

Voor hem de rondbreede donkere holte, de ingang tot de grot; langdradige klimopranken, die in grillige bochten en kronkeliugen zich slingeren langs de zandsteenen muren; neerhangende takken van den wilden wingerd, met haar dun spichtige pas ontloken blaadjes, als een doorzichtig gordijn over het zwarte reuzenvenster; in de onmiddelijke nabijheid wilde rozenstruiken en meidoorns, waartusschen de kleine ronde groene blaadjes der kampeifoelie weelderig bloeien, doornachtige twijgen der braamstruiken, te midden der nog jonge, teere grassprieten en daarachter de dreigende, grijnzende dood.

Voor de holopening staat Dries Kwakeleers aan het hoofd der Fransclie soldaten; een valsch trekken der mondhoeken, blikken vol vurigen haat, waarmede hij als het ware wil doorboren de zwarte duisternis voor hem; nog enkele oogenblikken en hij zal kunnen botvieren zijn wraak.

Hoog houdt hij de lantaarn, die "vluchtige slagschaduwen werpt op de donkere muren en dan even zich wendend tot zijn helpers, wenkt hij hen te volgen.

Eensklaps het flikkeren van een kleinen vuurstraal, een knetterende knal, een gil en de verrader stort voorover; de lantaarn valt neer met rinkelenden slag; 't is alles weer duister; een zwarte nacht vlak voor hen, die nog staan in het volle daglicht.

En uit die nacht weer een even vluchtige lichtflikkering, weer een knal en weer een lichaam, dat

Sluiten