Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neerploft en dan nog een, alweer een, weldra verschillende snel op elkaar volgende krakende knetteringen en telkens mannen, die vallen met zwaren slag. De Franschen deinzen terug, uitbrakend hunne vermaledijdingen en vervloekingen in hun woede van machteloos-zijn tegenover dien onzichtbaren vijand.

t Blijft alles stil, doodsch in die holte, geen gelispel, geen ademen zelfs en daarbuiten het kermen, het kreunen der gewonden, omwoelend de aarde in hunne trekkingen van den doodstrijd.

l'lotseling een stem van een der Hollanders in Franschen dienst zonder zich te durven toonen: „ kunnen wij een oogenblik met jelui spreken?"

Een roezemoezig gegons daarbinnen, een gemurmel van gesmoorde stemmen.

„Waat woudt geer van os höbbe" uit de holte na korte poos.

„Wij zouden gaarne onze gewonden en dooden meenemen."

Weer dat sissend stemmengeruisch, kort, slechts heel kort.

,Good, numpt ze mer mit. allein den einen, dè Judas laot geer likke, dè zulle veer zeivers begrave," luidt het bevel scherp, hatelijk.

Snel, in zenuwachtige haast, morrend hunne vloeken onder de stoppelige knevels, dragen de Franschen weg de lichamen hunner gevallen kameraden, enkel dien eenen raken zij niet aan, zooals hun is bevolen.

't Blijft daarbinnen nog immer stil; geen enkele, die zich nog durft vertoonen, geen een, die het waagt zijn schuilplaats te verlaten, vreezend, dat de vijan-

Sluiten