Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den van brandnetels en wilde hopranken, een kleine moestuin, waarin kool, wortelen en aardappelen in slordige verwarring, door elkaar.

Even nooddruftig, even armoedig het inwendige. In een donkeren hoek een paar bossen stroo, waarover eenige grauwe zakken; ongeveer in het midden, een vies ontkleurde tafel, wiebelend op zijn ongelijke pooten ; enkele stoelen met kapotte stroomatten zittingen; een greenhouten kist, waarvan het deksel doorboord met tal van gaten; in een kast zonder deuren enkele gebarsten koppen en borden van grof aardewerk; een viesbruine koffiepot, een paar ijzeren ketels, een tinnen vork en een mes. Aan den wand, boven een vies bemodderden kruiwagen. waarin een spade en bezem, enkele kleine netten met een paar houten breipennen. Ziedaar alles.

Een kleine, nietige figuur, die vlak voor deze hut, in het hooge gras ligt, lang rechtuit op zijn buik! de ellebogen omhoog, de kin rustend in de open handpalmen.

Onder een geel verschoten laphoed valt het zwart sluike haar Op het hooge voorhoofd; langs den kleinen spitsen neus diepe lijnen naar den breeden mond met scherpen lippentrek; de jukbeenderen sterk uitstekend boven de bruiugore wangen; om de lendenen een ontrafelde blauwe kiel, wit stuk versleten in den hoek der ellebogen; onder de dik beslijkte gerafelde broek, breede aan de punten opkrullende schoenen.

Strak, star tuurt hij met schitterende glansoogen voor zich uit 111 de richting van liet korenveld, dat

Sluiten