Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den hem uit voov „beulskeend"1, alsof het zijn schuld was, dat zijn vader en grootvader beulen geweest waren, alsof hij dat helpen kon en later hadden zij niet geduld, dat hij in een herberg kwam, waarook zij vertoefden; als hij, om zijn dorst te lesschen, ergens een drupke of een glas bier bestelde, dan werd door den kastelein hem eeu glas gegeven zonder voet, ten einde hem te beletten het op tafel te zetten en de boeren met grijnzenden lach legden hunne beeneu op de ledige stoelen om hem het aanzitten onmogelijk te maken.

Heetvurige rilliugen hadden in hem opgehuiverd langs den rug; in koortsachtige woede had hij de vuisten gebald, een hartstochtelijk willen was in hem opgekomen om zich te werpen op den eersten den besten zijner beleedigers, maar hij had die drift bedwongen in zijn weten, dat hij toch niet tegen hen bestand was, dat hij zich niet kon wreken, hij, de zwakke, de nietige tegenover den sterken, en hij was weggegaan, verdoemend zijn machteloosheid.

Daarbuiten, als griezelde het huu bij het liem zien, hadden de meisjes bij zijne nadering snel de hoofden omgedraaid.

En niet alleen van hen, van die onontwikkelde, ruwe wezens had hij die smalende verguizingen te verduren gehad, maar ook de notabelen, de hoogeu, hadden behagen geschept in dat hem vernederen en beleedigen.

Eens op een winterdag, na hevige regens en plotseling ingetreden sterken dooi, duwde hij met alle krachtsinspanning voort door het hooge dikke slijk

Sluiten