Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trouwe makker, zijn boudgeuoot iu zijn strooptochten, want Peter Wauben was ook strooper. Hij kon het wild niet bemachtigen met het geweer, want hij had geen helpers, die hem door bepaalde teekenen wilden waarschuwen, als gevaar dreigde of als de veldwachters, de richting, waaruit 't geluid der schoten kwamen, volgend, hem sluipend naderden; hij durfde evenmin des uachts strikken zetten, uit angst, dat andere stroopers die zouden vernielen.

Hij kon op niemand rekenen, niemand vertrouwen dan zijn fret.

't Diertje was dan ook schier altijd in zijn nabijheid; overal volgde het hem.

Als hij arbeidde in zijn tuintje, z'n kool plantte of z'11 aardappelen pootte, dan knaagde het met zijn scherpe puntige tandjes aan een wortel, welken hij het had gegeven of wel het wroette, volgend zijn instinct, kuilen in den grond.

Eens een krachtiger werken met z'n pootjes dan gewoonlijk, een dieper induiken van het spitse kopje in de opengedolven aardholte, een niet gehoorzamen aan zjjn herhaald roepen „ainieke, amieke, kom dan hië, m'n bieske."

't Beestje blijft doorwroeten, steeds dieper zich inwerkend in den kuil.

't Verwondert hem, hij heeft nooit een konijnen hol gezien in zijn tuintje.

Nieuwsgierig, met groote stappen, begeeft hij zich naar de plaats, waar 't diertje nog steeds werkt met vlugge krabbelpootjes.

Sluiten