Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

musch; op den nok der daken het gekir der duif; hoog in de lucht het gezang van den leeuwerik; in het woud de melodieuse triltouen van den nachtegaal. Hijen en hommels gonzen snorrend voorbij om een weinig verder den honing te zuigen uit de wilde roos of uit de tongvormige bloesems van de kamperfoelie; bonte kapellen, dwarrelend door elkaar, fladderen in speelsche dartelheid van de blauwe korenbloem naar de roode klaproos, van de rose colchia naar 't gele leeuwenbekje; de bruin groene hagedis koestert zich op een door de zon beschenen steen; de konijn steekt voorzichtig met snel rimpelende neusbeweging 't kopje uit zijn hol.

Eensklaps het schel bengelend geklep van de dorpsklok als een welluidende hyme aan den Schepper van dit schoone, dit grootsche, als een luid uitgegalmde dankzegging voor deze onverstoorde vrede.

Onverstoorde vrede! — Neen, toch niet.

Die vrede is verstoord in de ziel van den man, die staat op den rand der kiezelgroeve en zijn blik laat dwalen over het beneden hem liggend dorp.

Vinnige haat gloeit er in het vurig oog; een ziedende woede laait in hem op; een gloedtinteling huivert langs den rug.

De borst vooruit, het lichaam fier opgeheven, als een uitdaging aanschouwt hij dat grootsch, onmetelijk panorama.

Voor hem aan den voet der rotsen, schier verborgen achter het lover der lindeboomen, een groote boerenhoeve, omgeven door moestuinen en weiden; uit de stallen het dof geloei van koeien en het hoog

Sluiten