Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schetterend gehinnik der paarden; in de schuren het pas gedorschte graan, hoog opgestapeld, alles het eigendom van den rijken pachter Nicolaas Krom-

bach, een gelukkige kerel gelukkiger, dan zijn

grootvader, ilie geradbraakt is geworden ha, ha, ha; daar aan den anderen van de kerk, dat mooi geschilderd huis met blinkenden weerhaan op het leiendak en perken van bonte asters en rozen voor de deur, de woning van Frans Backer, de achterkleinzoon van een opgehangen Bokkenrijder; verder, achter dien grooten kastanjeboom, het huis van Willem Ploemen, den armen meester, die in de kerk met vluggen zwaai het armen zak je hem voorbijschoof om hem te beletten ook zijn cent daarin te werpen, hetgeen steeds den lachlust opwekte van al de Godvruchtigen, rondom hem; die, ook de afstammeling van een gevonnisden en door zijn grootvader ter dood gebrachten misdadiger en verder de woningen van Anton van Eijgelshoven, van dat loeder, van Joseph Kessels, van Matthieu Errens, van Sinionis Huskers, van Johan Plassen, van Gerardus Arets, alle namen van Bokkenrijders en allemaal afstammelingen van hen, hij heeft in de stad, waar men hem niet kent, informaties genomen, hij is er thans zeker van; gindsch op den Bloklieuvel, te midden van een prachtig, rijk aangelegd park dat kasteel met zijn erkers en torens, 't is het slot van Jonkheer du Pré, een kleinzoon van dien mijnheer, die „bij gratie," veroordeeld is geworden om een kop kleiner gemaakt te worden.... omdat hij was van adel. ha.

Sluiten