Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ha, ha....; zich wreken, verpletteren zou hij hen allen, die loeders, die canailles.

Ze wisten, ze kenden het verleden hunner voorouders niet; hunne kinderen waren gevlucht uit de door hen bewoonde streken om zich te verbergen in oorden, waar men de schande der vaderen niet kende; 't was vergeten in den loop der lange rei van jaren, maar „hij" wist het nu, „hij" kende die schande; alles, wat uitgewischt was in de herinnering der thans nog levenden, dat stond alles klaar, helder voor zijn geest.

Oh ! hij ziet ze in zijne verbeelding, duidelijk, hier in zijn onmiddelijke nabijheid, hier op den Loinmersberg, waar hij op dit oogenblik staat, die galgen met de daai-aan neerhangende lijken met loodblauwe gezichten, de oogen wijd uitpuilend uit hunne kassen, de tong lang uit de gapende monden; hij ziet ze bengelen, dansen hoog in de lucht, door den wind tegen elkaar gestooten en geduwd; hij ziet de paarden trekken aan de armen en beenen van die ellendelingen, hij hoort het krakend ontwrichten der ledematen en tegelijkertijd hun schreeuwen, hun gilleu, hun wanhoopskreten van smart en pijn; hij ontwaart karreraderen, op welker spaken menschelijke lichamen, geheel naakt, met touwen omstrengeld; hij hoort de dofte slagen van het ijzer, verbrijzelend hunne beenderen en al die gehangenen, die gevierendeelden, die geradbraakte kerels, ze hebben de gezichten van Auton van Eijgelshoveu, van Joseph Geleke, van Dammers, van Kessels, van Plassen, van al die canailles, die hem hebben nageroepen,

Sluiten