Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vend uit den lillenden, afgeknotten nek, roodkleurend de planken van het schavot.

De beul wroet zijn vingers in het haar van het hoofd, dat neerligt op den grond; hij heft het op om het te toonen aan de duizende en duizende toeschouwers, die juichen en juichen in krijschend

gegil.

Dat. . . dat was het sterfbed van den grootvader van Jonkheer du Pré . . . van Pronkheer du Ré . . . die woont op „la Renommée"; dat beteekent „de faam", „de roem1' . . . ha, ha, ha, „de roem" het verblijf van den kleinzoon van den met het zwaard onthoofden Bokkenrijder. . . sijnde hij van nobele geboorte.

Haat en afschuw heerschen tusschen hem en al die verdoemelingen.

Die haat, die afkeer hebben hem gepijnigd, gefolterd zijn leven lang; hij heeft gehuild dagen en nachten bij dat gevoel van eeuwige vernedering en bespotting en thans is hij trotsch, hoogmoedig in dat haten en verachten, want thans gaan die gevoelens uit van hem; „hij'1 haat ze, die krengen, „hij" veracht ze, die Schwerenöther, die afstammelingen van dieven, roovers en moordenaars.

In 't vervolg zal hij hun gebieder zijn; voortaan zullen ze vluchten, als ze hem slechts in de verte ontwaren; ze zullen rillen van angst, als ze zijn stem hooren en dan zal hij lachen, luid joelend lachen met oogen, die hen aankijken, valsch, brutaal.

Langzaam keert hij terug in zijn krot.

In de kist het gewriemel en gekrab van zijn fret.

Sluiten