Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met de handen in de zakken staan zij voor de kerkdeur, lachende lonkjes toewerpend aan de jonge deernen, die, het gebedenboek in de hand, den tempel Gods verlaten.

Met een licht knikken, een blos op de rondbollige wangen beantwoorden zij het hun toegeroepen: „daag Marianne," „gooi meurge Melanie," enz.

Dan, als geheel leeg is het gebouw, als de laatste jonge dochter het plein heeft verlaten, drentelen ze weg met luie sleeppassen naar „de Gouden Leeuw" de voornaamste herberg in het dorp.

Deftig, d. i. volgeus dorpsbegrippen zoo langzaam mogelijk, bestijgen zij de treden van den steenen trap, die toegang geeft tot de gelagkamer.

Na het openen van een glazen deur staan zij in een ruim vierkant lokaal.

Enkelen, die zich neervleien aan de ronde eikenhouten tafel, midden iu het vertrek.

„E glaas beer Hoebertine" roept een der roodwangige schoone toe, die, de mouwen van haai Zondagsjakje hoog opgestroopt, achter het buifet staat, waarop tal van glazen iu allerlei vorm en grootte.

„Mich ouch" roept eeu ander, „mich ouch" weer anderen.

„Es ucli bleef jongens" en ze tapt het bier uit de gisteren glinsterend gewreven drakenkoppen, ter weerszijden van het butfet om een oogenblik later het bestelde te brengen op een rond tinnen plaat.

„Wie is et Hoebertine, gifs te mich gei bescheid" vraagt er een met schalkschen lach.

Sluiten