Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kracht wringt hij zich los uit de klauwende vingeren.

„Beulsjong, höbs te mich geneumd van Eijgelshoven" gilt hij overschreeuwend het steeds herhaald „d'roet, d'roet mit em" der anderen „jao dat is waor, dat biu ich, mieu grampeer, mien vader waore de beule oet dees contrée en daoveur, justemeut daoveur, gelioir ich ouch in dien corapanie van Eijgelshoven, want mien grampeer heet dien groitvader, ene Bokkenriejer, geradbraakt en nog waal hië, bie mich, op den Lommersberg."

«Dat luugste, kreng da's te bös" gilt de andere „dat luugste."

„Leeg ich dat?"

„Jao, dat luugste crapule."

„Zoi en toen zich wendende tot den meest nabijzittenden, vraagt Peter ironisch, beleefd: „doe Schrienen lees ins etfekeus hêl op, waat op dit papier steit geschreve."

Terwijl de anderen nieuwsgierig met vooruitgestrekte nekken achter hem over zijn schouders turen in het papier, leest Schrienen angstig, hakkelend: „Wij drossaard en schepenen van de Schepenbank te Heerlen, stellen in handen van Jacob Waubeu, beul van het schepengerecht te Heerlen, domicilie hebbend te Holtzrade den door ons bij vonnis van 17 April 1791 ter dood veroordeelden Anton van Eijgelshoven".... Waubeu lacht, terwijl de anderen

elkaar aankijken met groote, ronde schrikoogen

ter dood veroordeelden Anton van Eijgelshoven" herhaalt de lezer, „ter oorsaecke, dat hij als lid

Sluiten