Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stomd; hij wil loopen naar haar toe, maar hij kan zich niet bewegen.

Plotseling een akelige krijschgil, hoog galmend door de lucht en tegelijkertijd stort het kind voorover, in den afgrond.

Het lichaampje stuit in zijn neervallen op een wijd vooruitstekenden leemkluit; een kort moment blijft het hier liggen; dan door den plotseling zwaren druk, scheurt de aarde los van den wand en schuift, het kind steeds torsend, in woedende snelheid omlaag, tot alles neerploft met doffen slag op den bodem der groeve.

Toen een hoog opwarrelende stofwolk, een dof ruischend gerommel van nog neervallende steenen en dan alles stil, doodstil.

Vergetend zijn wraak, niet denkend aan zijn haat, slechts volgend, gehoorzamend aan zijn instinct van mensch zijn, ijlt hij naar beneden langs het voetpad tot bij de kleine.

Hij vindt haar. de oogen gesloten, 't gelaat groezelig zwart, de kleeren vuil met stof en leemaarde bedekt en in het vast gesloten vuistje nog het kapellennetje.

Voorzichtig tilt hij haar op, legt haar in zijn armen en dan schrijdt hij voort, kalm, bedaard, het oog onafgewend op het doodsbleek gezichtje, tot in zijn huisje.

Zachtkens legt hij zijn last neer op de tafel om vervolgens haar slapen met water te besprenkelen.

't Is een mooi meisje met lange, zwarte lokken,

Sluiten