Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat zal ik u vertellen, mijnheer; terstond nadat ik hem op den grond heb geslagen, heb ik hem geboeid en mij meester gemaakt van zijn fret, dat hij verborgen had onder zijn jas; toen heb ik op mijn fluitje gefloten, waarop een paar manuen zijn gekomen, die bezig waren in het bosch het dorre hout te rapen; ze schenen erg blij te zijn, toen ze hem daar zagen liggen; zoo hebt ge dien kerel te pakken gekregen, vroegen ze, 't is maar te hopen, dat ze hem voor een heelen tijd de kast indraaien.

Wij hebben hem toen op een takkebos gelegd en zoo over de sneeuw hierheen getrokken.

Voor de barrière stond uw dochtertje, mijnheer; 't meisje begon erg te huilen, toen ze hem zag, bepaald van de schrik; ze had zeker in haar leven nog nooit een man gezien die flauw lag; ze wilde ook absoluut het fret hebben, dat ik in mijn hand had genomen.

Eerst weigerde ik en toen vroeg ze mij, wat er met het beestje zou gebeuren.

Dat zal wel kapot gemaakt worden" antwoordde ik.

En toen mijnheer, ik wou, dat u er bij was geweest, toen begon ze te gillen en met haar voetjes te trappelen, dat ik bang was, dat zij het op haar zenuwen zou krijgen; ik durfde niet meer weigeren, ik heb het haar toen maar gegeven; u moet niet boos zijn, mijnheer, maar ik durfde werkelijk niet anders doen."

„Wat wilde ze met dat fret" vraagt du Pré verwonderd.

„Ja, dat weet ik niet, mijnheer, dat moet u zelf haar maar vragen."

Sluiten