Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wauben heeft met stille aandacht het verhaal van den veldwachter gehoord; een bedaarde kalmte is over hem gekomen; dan enkele stappen tot bij den vader van Jeanne en hij vraagt met vaste stem: „mijnheer du Pré, wat moet er met mijn fret gebeuren; moet het kapot gemaakt worden, of mag uw dochtertje het houden?"

„Ik zal zien, ik zal er eens met mijn kind over spreken."

„Ik wil antwoord, een definitief antwoord" en in 't oog een dreigende vuurschittering.

„Nou voor mijn part laat ze het houden, als ze er pleizier in heeft" en hij wendt zich om, niet durvend opzien tegen zijn gevangene.

„Ik hoop, mijnheer, dat gij uw woord zult houden", dreigend bevelend.

„Brutale kerel" fluisteren de anderen en zij bewonderen de goedheid van den landheer.

!t Is stil, doodsch in de groote achterzaal van het Gerechtsgebouw te Maastricht.

Voor de breede vensters op een kleine verhevenheid achter een eikenhouten balustrade een lange tafel met groen kleed, waarop tal van boeken met gore, inktbevlekte ruggen, de hooge stoelen nog onbezet.

Links een kleine tafel, waarop een mes, een bebloed hemd, waaraan gehecht breede, van roode zegels voorziene linten.

De bank der beschuldigden met nog open zijdeur leeg; ook op de getuigenbanken nog niemand, even-

Sluiten