Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij weer zal kunnen doen, wat „hij" wil, waarop hij weer zal kunnen gaan, waar heen „hij" wil, den dag, waarop hij weer zal zijn „mensch", waarop hij weer zal zien „haar" en ook zijn fret.

Zou het nog leven1? — een angstrilling over zijn rug; niemand in al dien tijd, die hem is komen bezoeken, niemand, die hem heeft geschreven, niemand, aan wien hij het heeft kunnen vragen en... als het nog leeft, zal het hem dan nog kennen?

Onrustig gooit hij van zich af de enkele dekens en hij verlaat zijn kribbe; 't is nog koud; hij grijpt de geel zwart gestreepte broek en buis; 't is de laatste nacht, dat hij ze zal dragen, die plunje der onteerende slavernij.

Hooger rijst de zon; 'twordt helderder in zijn hok; over de zwart donkere muren een grijsgrauw schijnsel, maar nog alles stil, doodstil in het groote gebouw met z'n tal van bewoners.

Eindelijk het krakend knarsen van een sleutel in een slot, het snerpend wegschuiven van grendels en het piepend krassend over steenen draaien van een zware deur.

Felle bonsslagen in zijn hart, nog enkele uren slechts in dit oord van verdoemenis, waar geleefd wordt een mensch niet waardig bestaan en hij loopt driftig heen en weer, als mat hij de cel, die hij zoo lang heeft bewoond.

Plotseling een plechtige verhevene muziek; 't koraal, gezongen door de paters van de kerk vlak achter de gevangenis.

Sluiten