Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kist, zijn vroegere woning; het herinnert zich alles, alles nog en weer kussen overal.

Dien dag is geheel gewijd aan het beestje; hij speelt er mee; hij vertroetelt het tegelijkertijd met zijn streelen en kussen zachte, zoete vleiwoordjes lispelend.

Enkele dagen later.

Kalm, bedaard wandelt Wauben over den grooten weg.

Opeens weer voor hem het naderend rollen van een rijtuig, dat van Jonkheer du Pré; hij heeft dit geluid gedurende twee jaren niet meer gehoord en toch herkent hij het terstond.

Op den bok, de vader van Jeanneke en zij aan zijne zijde.

Een vreugde in zijn ziel, als hij haar ontwaart, zijn vriendinnetje, de beschermster van zijn beestje; een vroolijke glimlach om zijne lippen, als de equipage meer en meer in zijn nabijheid komt, als hij haar trekken kan onderscheiden.

Een goor, bleek wit op de wangen van du Pré, als hij ook hem ziet; snel buigt hij zich voorover tot zijn dochtertje en fluistert haar eenige woorden in het oor.

Een hardklappende zweepslag, die de paarden tot sneller rennen aanzet; het rijtuig snort voorbij en zij.... zij wendt het hoofd om, zij wil hem niet zien.

Log, plomp blijft hij staan, nastarend dat in stofwolken omhuld rijtuig met droef, somber oog.

Zij mag hem niet meer aanzien, zijn vriendinnetje van weleer; zij mag niet, omdat hij, die ellendeling,

Sluiten