Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar heeft toegefluisterd, dat daar die kerel stond, die hun veldwachter heeft willen vermoorden, die twee jaren daarvoor in de gevangenis had gezeten; hij heeft die woorden niet gehoord en toch weet hij, hij voelt het, dat die lammeling haar dat gezegd heeft.

En weer wordt ze levendig, weer vlamt ze op in zijn ziel die begeerte naar wraak, dat intens willen om dien doodsvijand te vernederen.

Zich wreken over die nieuwe verguizing, de pijnlijkste van allen, die hem ooit getroffen heeft, omdat zij hem is aangedaan door „haar" op „zjjn" bevel, hem sleuren in de laagte, hem dwingen om vergeving te vragen, aan hem, den gewezen boef en in 't bijzijn van haar, in tegenwoordigheid van dat kind, aan wie hij heeft verboden hem te zien, dat wil hij, dat alleen kan

bevredigen zijn wraaklust, maar hoe hoe, zonder

ook haar te treffen, zonder ook haar te overladen met

oneer en schande, want dat wil hij niet, nooit van

z'n leven nooit, want dat hoofd omwenden, dat hem niet willen zien was toch hare schuld niet; zij deed het uit angst, om hem te gehoorzamen.

Vroolijk, neuriënd het een of ander deuntje, veegt Wauben met den bezem schoon den aarden vloer in zijn hut.

Van tijd tot tijd onderbreekt hij zijn werk om zijn fretje te aaien, dat op tafel zit, terwijl hij het herhaaldelijk toevoegt: „wach mèr m'n biëske, wach mèr; veer zulle os wrèke; ich höb et gevonje."

Eindelijk na langen tijd aanschouwt hij met welgevallen den properen vloer, de muren, vrij van spin-

13

Sluiten