Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

newebben, de tafel juist in het midden van het vertrekje en den kruiwagen, recht langs den muur, ontdaan van slijk- en modderkluiten.

't Is geen rijkeluiswoning — waarachtig niet en een gulle lach klinkt door het kamertje — maar 't is tenminste netjes en hij zal het nog netter, nog fijner maken.

Dienzelfden middag nog begeeft hij zich naar het dorp en koopt van het in de gevangenis verdiende geld enkele nieuwe stroomatten stoelen en een pak kleeren.

Zelf' brengt hij dat alles naar zijn hut.

Dan weer op weg, met rassche schreden naar den geestelijke.

Verwonderd kijkt deze hem aan, als hij binnentreedt in zijn kamer.

Hij neemt den schijn aan het niet te merken.

„ Dag pastoor1' met vaste stem en hoog opgeheven hoofd.

„Dag Wauben met wat kan ik je van dienst

zijn ?"

„Ik zou u gaarne eens spreken pastoor."

„Goed, jongen, zet je neer — zoo, vertel mij nu eens, wat je hierheen voert."

„Kappeleert gij u nog ons laatste gesprek pastoor?"

„Ja zeker, al kan ik nu ook niet zeggen, dat die herinnering mij bizonder aangenaam is."

„Mijnheer du Pré heeft u toen naar mij gezonden met de vraag om mijn huisje en tuintje te verkoopen voor zesduizend francs en dan zou ik op den koop toe nog krijgen een huisje met hof in Ubach."

Sluiten