Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik heb je niet gezegd, dat ik kwam namens Jonkheer du Pré."

„Dat is waar, dat hebt u niet gezegd, maar laten wij dit nu eens aannemen."

„Zooals je wilt."

„Welnu, ik ben thans bereid dat bod aan te nemen, die woning in Ubach mag hij mij geven voor het pleizier, dat ik hem doe uit Holtzrath te gaan, maar die zesduizend francs wil ik niet aannemen; 't is niet meer dan zeshonderd francs waard, zooals ik u al gezegd heb; meer wil ik niet hebben."

„Dat is mooi van je jongen; 't bewijst mij, dat je nog niet alles vergeten hebt wat ik je geleerd heb."

„ U oordeelt misschien wel een beetje te gauw pastoor, want — ik wil het u eerlijk bekennen — dat royale bod van mijn kant, die onbaatzuchtigheid heeft alleen ten doel om mij te wreken op dien mijnheer du Pré."

„Dan mag ik je niet langer aanhooren Wauben, die onchristelijke taal mag ik niet dulden in mijn huis."

„Wees gerust pastoor; u moogt mij vrij aanhooren; ik zal niets doen, wat onchristelijk is."

„Wat wil je dan doen?"

„Dat is mijn geheim; ik herhaal alleen: ik heb niets slechts in den zin, dat zweer ik u pastoor bij de nagedachtenis van vader en moeder."

„Dan dan zal ik er met mijnheer du Pré

over spreken."

„Dus u bekent, dat „hij" me dat aanbod heeft gedaan ?"

Sluiten