Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij geven gehoor aan dat verzoek.

Een angstige stilte, die een geruime poos duurt.

Eindelijk na een verlegen, keelschraperig gehum vangt du Pré aan: „de pastoor heeft mij verteld, dat u genegen zijt mij uw huisje at te staan in ruil voor een woning in Ubach en een som van.... zeshonderd francs."

„Dat is juist mijnheer."

„Ik wil er ook wel meer voor geven."

„Het is niet meer waard."

„Dat is netjes van u, mijnheer Waubeu," terwijl de geestelijke goedkeurend knikt.

„Zal ik u 't geld dan maar geven?"

„Zooals u verkiest, mijnheer."

Du Pré legt zes biljetten van honderd francs op tafel.

„Wilt u ze even natellen?"

„'t Is in orde mijnheer."

„Wilt u dan even dit contract teekenen; 't is het bewijs van den verkoop."

„Ik heb geen inkt en ook geen pen, mijnheer; er bestaat niemand aan wien ik te schrijven heb.'

„Dat had ik wel gedacht; ik heb het daarom zelf

meegebracht."

Openend een kleinen inktkoker, uit den vestzak gehaald, reikt hij hem tegelijkertijd over een gouden pennenhouder.

„Wilt u dan maar hier even uw naam zetten?

Onmiddelijk wordt aan dit verzoek voldaan.

„Ik geloof, dat wij nu niets meer met elkander te bespreken hebben" en de bewoner van la Kenommée staat op.

Sluiten