Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een smeekende, tevens verwijtende blik van den dienaar Gods weerhoudt hem; „ik dank n nog wel voor de hulp aan mijn dochtertje verleend, toen zij in deo kiezelkuil is gevallen."

„Dat. is volstrekt onnoodig, mijnheer; die kleine dienst heeft uw kind mij honderd malen vergoed; zij is verschillende keeren mij komen opzoeken; zij heeft mij de hand gereikt, zij, de eenige, eenige, zij is ook de eenige, die mij in mijn algemeen veracht, gehaat zijn hare achting en toegenegenheid heeft geschonken; zij heeft mijn fretje verzorgd, terwijl ik in de gevangenis zat; zij heeft het gered uit de handen van den veldwachter; zij heeft het voor mij behouden, mijn eenige troost, hier ter wereld en daarvoor wil ik dan ook op dit oogenblik haar miju dank betuigen, een dank, dien zij thans niet kan waardeeren, en zooals ik innig hoop ook nooit zal leeren waardeeren.

„Kom eens hier Jeauneke, lief kind — je ziet dat kistje op tafel niet waar?"

„Ja" antwoordt zij verwonderd.

„Daar liggen papieren in, 'n heele boel — neem die er eens uit."

„Wat ga je doen Wauben, dat is niet edel van je, dat is niet christelijk, voegt de priester hem toe, ernstig vermanend — je herinnert je toch zeker ook, wat je me beloofd hebt?"

„Zeker herinner ik mij dat pastoor, maar stel u gerust" en zich weder wendend tot het meisje vervolgt hij: „neem die papieren er uit Jeanneke, allemaal, allemaal, hoor je en dan dan werp je ze daar in

het vuur,"

Sluiten