Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stotterende stem, de oogranden vol tranen: „mijnheer Wauben zoudt u mij ook uw hand willen geven?

„Zeker, mijnheer, hier is ze."

„Dank u en laat in het vervolg nu ook alle

vete, alle haat tusschen ons gedaan zijn, laat dit zijn de hand der verzoening; als bewijs van mijn innig verlangen, van mijn oprechten wensch daartoe vraag ik u vergiffenis voor hetgeen ik u heb misdreven."

„Mijn wraak, mijn wraak, mijnheer de pastoor galmt Peter uit in blijde zielsverrukking: „dat is mijn wraak."

„Was het je bedoeling je zóó te wreken?"

„Ja pastoor, ja."

„Die wraak is edel, (iode welgevallig; ik wist wel, dat je niet slecht waart, want dat lag niet in je karakter, toen je nog was bij mij in de christelijke leering."

„U vergeeft het me dus, mijnheer Wauben?"

„Tenvolle mijnheer du Pré."

Lang staan die mannen, die doodvijanden van weleer, tegenover elkander nog steeds hand in hand.

Dan weer de vader van Jeanneke: „mijnheer Wauben, nu alles tusschen ons is vergeten en vergeven, waarvoor blijft u nu liever niet hier, dan kunt u bij Jeanneke komen, zooveel ge wilt."

„'t Gaat niet, dat is immers onmogelijk, ik heb u toch mijn huisje verkocht, het contract geteekend."

„0, als dat het eenige beletsel is Jeanneke

gooi ook dit papier in het vuur."

Wauben grijpt haar arm; „neen mijnheer du Pré,

Sluiten