Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En heb je mij nu nog iets te vragen, kan ik nog iets voor je doen?"

„Voor mij zeiven niets pastoor, niets meer, maar wel voor mijn vader en voor mijn moeder; bidt voor hun zaligheid."

Dan ijlings voort; bij den kiezelkuil blijft hij een oogenblik staan, starend naar de plaats, waar hij Jeanneke eens heeft gevonden.

Eindelijk met vasten tred, verder, verder in de richting van het oord, waar die herinnering niet is van lang vervlogen tijd, waar niemand zijn afstamming kent.

Lang, zoo lang mogelijk staren de mannen hem na en als hij weg is, verdwenen achter den heuvelrug, lispelt de dienaar Gods „1n brave kerel."

„Dat is hij" bevestigt Jhr. du Pré.

Sluiten