Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meerssen, van Elsloo, van Heerlen, van Beeck, van Schimmert, van Berg, van 's Hertogenrade, van Daelem, van Cleef enz. enz.

Een weinig ter zijde, een groep van fiere, reusachtige gestalten; t zijn Herman Scravendisch, „hij", en mijn verteller wijst met uitgestrekten arm"naar het portret, „hij, te midden van zijn zeven zonen; in hun onmiddelijke nabijheid Conrad Snabbe, lieer van Lontzen met zijne beide zonen Hendrik, heer van Herpt en Gilles, heer van Wodimont en wijders nog Reiguier en Wibold, de burchtheeren van Streverstrop.

Een zacht gelispel, een gegons van murmelende stemmen, door de groote zaal, dat echter plotseling plaats maakt voor eene doodelijke stilte, als Ermengarde zich opheft uit haren zetel.

Steunend op haren echtgenoot, die zijnen arm om haar midden heeft geslagen stottert ze zwaar, moeielijk met door hoesten telkens onderbroken stem: „edelen en ridders van mijn hertogdom Limburg, brave, dappere vrienden, bekend is mij uw onwankelbare trouw, uwe innige liefde, welke gij steeds gekoesterd hebt voor mijn voorouders en voor mij, vooi t geslacht der Walerams; door uwen steun, door uwe hulp is Limburg machtig geworden, onze naam heinde en verre met roemvollen luister bekend.

Die naam zal helaas gauw uitsterven; ik zal spoedig heengaan, zonder aan mijn geslacht een opvolger te hebben geschonken; slechts mijn echtgenoot laat ik u na; u allen bekend als een braaf en edel vorst, als een dapper ridder.

Sluiten