Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over de neergelaten valbrug bereiken zij den Dwingel, een breedeu weg, die niet steile daling naar het kerkhof voert.

Ook hier mannen en vrouwen allen geknield en gebeden prevelend voor het zieleheil hunner gebiedster. Zoo bereikt eindelijk de stoet den doodenakker.

Nieuwe gezangen door het priesterkoor aangeheven, zoowel door edelen als door dorpers knielend aangehoord.

Sitfroi van Westerburg bidt met luide stemme, terwijl langzaam de kist in de donkere aarde daalt.

Met denzelfden plechtigen ernst keeren allen weer naar de burcht, waar inmiddels door de landsknechten duizende brooden en groote balen rijst aan de armen worden verstrekt.

Helaas, 't duurde niet lang, voordat de edelen blijken konden geven van hun trouw aan den voor hunne vorstinne afgelegden eed.

Adolf, graaf van Berg, een volle neef der overledene Ermengarde, beweerde dat deze vorstinne hare macht had overschreden, dat zij, kinderloos overleden, het recht niet had bezeten haren gemaal met het hertogdom Limburg te begiftigen, dat dit leen hem, den naasten mamielijken bloedverwant van

rechtswege toekwam.

Kort, krachtig, antwoordde lieinoud en Limburg s edelen, dat hij zijne rechten slechts had te doen gelden met de wapenen in den vuist.

Te laf om aan deze uitdaging gehoor te geven,

Sluiten