Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afschuwelijke, barbaarsche wreedheid tot in het jaar 1288.

Brabant was intusschen in een nieuwen oorlog gewikkeld met Siffroi van Westerburg, bisschop van Keulen, die zelf te zwak om den krijg te voeren tegen zijn machtigen vijand, hulp en ondersteuning had gezocht bij zijn neef Reinoud.

Van beide zijden werd een groot, duchtig leger op de been gebracht.

Aan Brabantsche zijde hadden zich nog aangesloten graaf Hendrik van Gelre, bisschop van Luik, met zijn broeder Otto; Gerard van Luxemburg, heer van Durbui; Adolf van Berg; de graaf van der Marck; de heer Walraven van Gulik; de proost van Aken, de inwoners van Keulen, die in opstand waren tegen hun heer en vele anderen.

Tegenover hen stonden Reinoud, de bisschop van Keulen met het hem trouw gebleven leger, de graven van Lutzenborch, de heeren van Valkenburg, van Wassenberg, van Heinsberg, de graven van Kleef, van Nassau en Herman Scravendisch met zijne zonen en bloedverwanten.

De nacht van vier op vijf Juni 1288.

De dag is nog niet aangebroken; een doodelijke stilte alomme in de grijswazige duisternis; de hemel, die in reusachtigen rondboog de aarde omspant, flauw verlicht door tal van reeds glans verloren sterren, als met kwistige hand gezaaid in slordige dooreenmen geling.

Ver weg, als een geleidelijke afscheiding tusschen

Sluiten