Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toedienen aan de voor hen knielende edelen en landsknechten.

Op eens een kreet, eerst door een enkelen aangeheven, onmiddelijk door duizenden herhaald: te wapen, te wapen, de vijand komt."

Hertog Jan bestijgt onmiddelijk zijn paard, terwijl hij nog twee andere paarden doet zadelen, allen bedekt, evenals zijn wapenrok met den gouden leeuw op een veld van sabel.

Dan verzamelt hij om zich heen zijn eigen broeder, zijn twee neven, Sint Pol, den ridder Raes, heer van Liedekerke en Breda, graaf Godewaert van Vianen, heer Berthout van Mechelen, de heeren van Cuijk, van Diest, van Assche, van Arckel, van Heusden, van Walheim, van Walcourt, van Rozelaer en van Wezeinale.

Geheel in overeenstemming met de gewoonten dier tijden om onmiddellijk voor den aanvang van den slag tal van jonge edelen tot ridders te verbetten, geeft hij met zijn zwaard den ridderslag aan Geerart van Gete, Henric Bebbecen, Aarnout van Steijne, Henric van Cuijck, Jacob van Merlant, Willem van Boxtele en nog aan velen anderen.

Ridders, spreekt hij hun vervolgens toe, een moeielijke, gevaarvolle dag wacht ons; wij zullen heden den strijd voeren niet alleen tegen den Keulsclien bisschop, maar ook tegen de Limburgers, de dappersten der dapperen. zooals de faam hen noemt; ik vertrouw echter op uwen moed, op uwe heldhaftigheid; ik stel mijn persoon, mijn lichaam onder uwe hoede.

Ik zal u allen voorgaan in den strijd; blijft gij

Sluiten