Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eensklaps luid bazuinengeschal; de proost van Aken en Adolf van Berg snellen toe om hunne in het nauw gebrachte makkers bij te staan; zij nemen stelling aan de beide flanken van het Limburgsche heir, thans tot één vereend.

Dit heeft thans te strijden van voren tegen het leger van Jan I, ter rechterzijde tegen de volgelingen van den graaf' van Loon, ter linkerzijde tegen de krijgslieden van Adolf van Berg en achter hen, op ter nauwernood den afstand van een half' uur, vloeit de Rijn.

Van alle zijden omgeven zitten de bondgenooten van Reinoud van Gelre in een klem, die zich nauwer en nauwer om hen heen sluit.

„Au duc, au duc" schreeuwen de Limburgers weer; zij worden echter weerhouden door de lansen en speeren, die nu niet enkel meer van voren hen bedreigen, maar ook van ter zijde hen treffen.

Er is geen plaats, geen ruimte meer voor een vechten met wapenen; 't wordt een strijd van man tegen man; de graaf van Luxemburg heeft zich geworpen op den broeder van Jan I; door een verschrikkelijken slag getroffen rent zijn paard weg uit het strijdgewoel, 't is of' zijn berijder vlucht en toch komt bij niemand dit denkbeeld op. Men weet, dat deze dappere, fiere ridder den dood zou verkiezen boven deze schande.

Weldra keert hij terug om weer zich te storten 111 den drom der strijdenden.

De jonge Waleram van Valkenburg, de schoonste ridder van zijn tijd, wordt, terwijl hij in gevecht

Sluiten