Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichamen kronkelen zich in elkaar, nu eens \ooiover, clan weer achterover, dan weer tei zijde. De Limburger is blijkbaar de sterkste, de krachtigste, Jan daarentegen de vlugste, de behendigste; telkenmale schijnt het of de eerste zijn tegenstander zal terneerdrukken, maar ook telkenmale a\ eet deze door een behendige zwenking zich uit de schroef der armen los te wringen.

Eindelijk, eindelijk toch is de sterkere de meerdere; hij heett zijn vuist om den nek van zijn vijand weten te klauwen, waaruit deze niet meer kan loskomen; met zijn reuzenkrachten drukt hij omlaag het hoofd van den overwonnene tot op het zadel.

Hoog zich opheffend in zijne stijgbeugels krijscht hij „victorie, victorie voor Limborch".

't Mocht helaas niet bewaarheid worden.

Het gedeelte tusschen pantser en gordel is door deze houding ontbloot geworden van elke bedekking.

Wauthier van Bisdomme weet hiervan partij te trekken en stoot op hetzelfde oogenblik zijn lans dooide open voeging in den buik van den oveiwinnaar.

Deze valt achterover, met gebroken oogen, den mond wijd open, met hakkelende stem nog stotterend: strijdt vrienden, strijd voor Limborch, voor Ermengarde.

Het gevecht, eeu wijle gestaakt, gedurende den strijd tusschen deze beide mannen, neemt weer een aanvang.

Weer schetteren de klaroenen, weer wapperen de banieren trotsch in de lucht.

Sluiten