Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

atapdaken bedekte soldatenhutten smelten ineen met den zwarten chaos.

Alles stil, doodsch in het kamp; niets anders dan het eentonig, langzaam heen en weer loopen van den schildwacht, het suizend lispelen van den zachten wind onder het loover en de logge vleugelslag van den kalong, fladderend van den eenen boom naar den anderen.

Stil liggen ze, gekleed in het luchtig blauw gewaad, de soldaten op hunne bamboesbritsen; in hun onmiddelijke nabijheid, het geladen geweer; slapend tot den strijd gereed.

Plotseling fronst de schildwacht de wenkbrauwen; steeds met denzelfden regelmatigen pas voortloopend tuurt hij met doordringende blikken naar één punt; hij heeft daar gezien een dunne zilverstraal, de schittering van een lang wapen, glinsterend in de zwarte duisternis; dan eensklaps een geritsel in het hooge riet.

Onraad, de vijand is in de nabijheid; hij twijfelt niet meer. Toch loopt hij voort, schijnbaar rustig, den pas niet versnellend, tot bij de eerste hut, ruimer, grooter dan de anderen; vlug binnentredend wekt hij met krachtigen ruk den officier en fluisterend deelt hij hem zijn ontdekking mede.

Enkele oogenblikken later; 't blijft alles doodsch in het kamp en toch zijn ze reeds allen wakker, liggend voorover, met den buik op den grond, het geweer in de vuist, met heet verlangen, met vurigen hartstocht willend den strijd.

Zoo uren lang, terwijl de nacht zich traag voort-

Sluiten