Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sleept; in de harten der krijgers een wreveling ongeduld, met zacht gesmoorde verwenschiugen geuit.

Eindelijk een grijze streep aan den gezichteinder, als een scheur in den zwarten hemel, langzamerhand langer, breeder; de eerste nog vale schemering van het daglicht.

Een golvende beweging in het hooge alang alang in de richting van het kamp.

„Wacht maar, gemeene gladakkers" sist een der strijders tusschen de opeengeklemde tanden.

Plotseling een doordringende gil en uit het wijd uitgestrekt rietveld doemen op (luizende zwarte gedaanten snel voorthollend, het lenig lichaam voorovergebogen ; zij zijn reeds niet ver meer verwijderd; onze soldaten wachten hen af met vaste hand, het geweer gericht op het door hen gekozen otter.

Dan eensklaps het niet brandend ongeduld verwacht: „vuur."

Tal van Atjehers vallen neer, voorover, het blinkend zwaard in de hoog uitgestrekte armen, slakend een schrillen kreet, door de omringende bergen honderdvoudig weerkaatst.

Een oogenblik een talmen, een bange aarzeling, niet lang; dan weer voort in dolle vaart met woeste kreten; een tweede knetterend salvo en weer een neerstorting van lichamen, maar nieuwe gestalten rijzen op, duizenden en duizenden, van alle kanten, voor, achter, in de ttanken, in kleiner, kleiner kringen omsingelend het kamp.

En ook thans van hunne zijde een goed onderhouden vuur uit hunne zware donderbussen; hunne

Sluiten