Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog steeds in z'u armen gekneld; hij kijkt hen allen aan met stijve oogen, den mond rond open; nergens echter een teeken van verwond zijn.

„Stank op Hoe her" eindelijk een der arbeiders met angstig beklemde stem.

De ongelukkige antwoordt niet.

„Stank op Hoeher" herhaalt hij weer, terwijl een der vrouwen het kind wringt uit de nog immer omklemmende armen.

Nog steeds geen antwoord; slechts een waanzinnig heen en weer rollen der pupillen in de groot opengespalkte oogen.

Dan tilt een der boeren het lichaam op, dat echter terstond weer neerploft.

, Bös te geblesseerd Hoeber!

(Jeen geluid, geen teeken van begrijpen.

„Trekt em de boks oet" meent een hunner.

Terstond wordt gehoor gegeven aan dien raad.

Korte stootende keelsnikken, teekenen van afgrijzen; het been is even boven den enkel verpletterd.

„Jussus Maria Joisep nog, kapot, gans kapot prevelt er een zachtjes, als is hij bang die woorden te uiten.

„Och jeumig, jeuniig nog, zen erm vrouw, die gans groit geit" ') huilt een der arbeidsters.

En inmiddels meerderen en meerderen, die komen van alle kanten; bleek, ontzet vormen zij eer grooten, ronden kring om den ongelukkige.

Spoedig een hooiwagen met een door zweepslagei gedreven woest voortgaloppeerend paard.

Zwanger is.

Sluiten