Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groene guirlandes van dennentakken en klimopbladeren. waaraan jonge meisjes de door hun vervaardigde veelkleurige papieren rozen hechten; in het midden van de straat een hooge breede eereboog, door mannen, op hooge ladders, getimmerd met luidklinkende hamerslagen.

Een tallooze menigte turend omhoog naar het met groen omkranste chassinet waarop met groote letters:

Wees trotsch o Valkenstad op uwen zoon,

Die lieden draagt de priesterkroon.

„Poësie de mirliton" hoor ik een der toeschouwers zeggen.

't Duit niks, hoor ik een ander zeggen; „de diechter heet et alevel toch good gemeind."

Verder in het stadje, waar geen boomen, een lange allee van groote pas uit de bosschen gekapte dennentakken in den grond gestoken en ook hier eerepoorten met hulde brengende opschriften als:

Valkenberg zal u leereu,

Hoe men den priester moet eeren.

„Veur wèm is dat allemaol" vraag ik een deiboeren.

Veur dè jong van den krommen Winkels, dè zal mörge veur et iërs het hêlig offer opdrage."

„Van dè aon 't bareer aon de statie?"

„Pront hiër, van den eigensten."

Nog dienzelfden avond begeef ik mij naar mijn ouden vriend, dien ik sinds den vorigen zomer niet heb gezien.

Voor zijn woninkje ontwaar ik hem reeds, de

Sluiten