Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Z1' oogen in hunne kassen; overal ziet hij vrienden, bekenden en allen groet hij, hen dwingend om hem geluk te wenschen, zij het dan ook slechts met een stilzwijgenden, vriendelijken knik of niet een vertrouwelijk knipoogen.

Opeens ontwaart hij mij en toen in 't paroxisme van diep voelen, hij 't niet meer kunnen bedwingen van z'n zielsaandoening, roept hij uit met luider stemme: „dat is em noe, hiër, dat is ein noe, miene jong, mien keend en hij wijst niet gestrekten arm naar den jongen priester.

Kleine spotlachjes om de monden van hen, die naast mij staan, maar ik heb ingetrokken de 011<lei lip, ik heb mijne boventanden er in gezet tot bloedens toe, omdat ik in mijne oogen de tranen niet wil laten komen, die ik voel in de keel.

Toen nog een onafzienbare rij van biddende mannen en vrouwen, langzaam zich voortbewegend tot in de kerk.

Ik ben meegegaan en heb een plaats veroverd in de onmiddellijke nabijheid van mijn vriend; ik hel» van den pastoor een sermoen gehoord, niet schitterend door grootschheid van gedachten, niet uitmuntend door verhevenheid van taal, maar eenvoudig, gemoedelijk en toch hebben zijn woorden een diepen indruk gemaakt op aller gemoed.

Hij sprak over de plichten van den priester, over diens zelfopoffering, over diens zelfverloochening, over de zware beproevingen, die zijn mensch-zijn zoo dikwijls had te doorstaan in den dienst van God: hij was overtuigd, dat zijn jonge broeder dien zwa-

Sluiten