Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de ongelukkige vrouw verlof gegeven om in ons park, niet zijn uitgestrekt dennenbosch, rond te wandelen.

En als zij neerzat op een bank, vlak bij de serre, waar het steeds erg warm was, speelde ik met Greta, dikwijls uren, uren lang, totdat de vader z'n vrouw en kind kwam halen.

Langzaam, zachtkens de zwakke vrouw steunend met z'n krachtigen, gespierd en arm, schuifelde hij dan huiswaarts, dikwijls haar aanstarend vol liefde, vol toewijding, menigmaal slakend een diepen, weemoedigen zucht.

't Is een stormachtige avond; de regen klettert tegen de vensters; de wind loeit en zwiept de breede kruinen der notenboomen heen en weer; de ronde koepeltoren van onze villa waggelt op het dak, terwijl de zware leien pannen wijd worden weggeslingerd.

Plotseling wordt er gebeld, zacht, bescheiden; Nero, de groote waakhond, richt zich terstond op en spitst brommend de ooren; Leio, onze knecht loopt langzaam, log naar de voordeur, terwijl een paar meiden, het lichaam verbergend achter den muur, met uitgestrekte halzen angstig gluren om den hoek.

Aan de deur een geprevel van stemmen, dat onduidelijk tot ons komt.

Enkele oogenblikken later komt Leio binnen.

„Mevrouw, de gendarm Pauwels, vraogt of er uch ett'ekes spreke maog."

Sluiten