Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„God, wat mankeert je, wat heb je" schreeuwt mijn gastheer.

„Lk ken ze ik ken ze" stotter ik Greta

Greta Pauwels" en waggelend strompel ik naar buiten, waar lucht is.

lteeds den volgenden dag verschijnt Pauwels in het dorp, volgens door mij verstrekte inlichtingen telegraphisch ontboden, om de identiteit van het lijk te bewijzen.

't Is een oude man geworden, de flinke, trotsche nnirechaussée van voorheen; de donkere haren zijn zilverwit; het eenmaal flonkerend, schitterend oog tuurt mat, somber voor zich uit; op bet voorhoofd langs den neus scherpe, diepe groeven; met gebogen rug, telkens met den palm der hand, wegwisschend de tranen, die langs zijn kaken rollen, stapt hij voort, zijn arm in den mijnen.

Onwillekeurig verflauw ik den pas, toen ik liet gemeentehuis ontwaar; in mijn ziel weer datzelfde angstig, benauwend voelen, m'n hart bonzend met forsche hamerslagen.

Eindelijk zijn wij er;, m'n knieën knikkeu; de oude zucht diep. terwijl zijn arm trilt met snelle schokken.

Langzaam den adem inhoudend, schuifelen wij voort tot bij het lijk.

Eén enkele blik op de doode en de oude richt op den gekromden rug en dan fier, krachtig, het oog vol gloed, met vaste stem: „ik ken haar niet, ik ken haar niet".

Weer grijpt hij mijn arm en krachtig, met geweld

Sluiten