Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Is vroeg in den morgen; de enkele sterren aan den grijzen hemel hebben reeds hun glans verloien, het daglicht breekt al door, nog dot' en mat, als eindelijk de laatste overgebleven feestvierders het feestgebouw verlaten.

< >nder dezen ook de vroolijke, op joeks en scherts verzotte Limburgers.

't Is middag.

Lambrix ligt nog te bed, <Ie oogen gesloten in een loom, dof soezen, in een toestand van noch waken, noch slapen na den opgewonden, afmattenden nacht.

Eensklaps een kloppen op de deur.

Geen antwoord.

Harder het kloppen, vergezeld niet het: „m'neer! m'neer!"

Een norsch, kort gebrom.

„M'neer, daar is een telegram voor u!"

„ Wa at?"

„Een telegram voor u" nu met luide schreeuwstem.

Lui, vadsig staat hij op; de deur openend op een kier, grijpt hij de groene enveloppe uit de hand deidienstbode.

Nog doezelig, schier werktuiglijk opent hij het telegram — uit Maastricht.... zóó.... en dan: „kom spoedig over, Mama plotseling zeer ernstig ziek geworden. Marie."

Hé wat? Hij begrijpt liet nog niet; 't is daar

binnen, in zijn hersenen, nog alles zoo verward, zoo duister.

Sluiten