Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stil, roerloos blijft ze.

„Mama." roept hij weer, nu iets harder.

Moeilijk, loodzwaar heffen de dunne oogleden zich op; een kleine, gelukzalige glimlach zweeft om haar lippen en fluisterend, nauw hoorbaar lispelt ze: ,,dag. mijn jongen, mijn kind."

„Mama," gilt hij in een plotseling uitbarsten van huilen, en liij duwt zijn mond tegen de holle, diep ingevallen kaken der stervende, terwijl hij kust de bleeke, dunne lippen, vurig, hartstochtelijk, in zijn wanhopig droef zijn niets anders kunnende stamelen dan het telkens zich herhalend: „Mama

Mama."

„'k Ben blij, dat ik je nog gezien heb. m'n jongen 'k was bang dat het te laat zou zijn."

Weer vallen de ooyen neer over de reeds met een wazig floers bedekte oogen. Een doodelijke stilte, slechts verbroken door het luide snikken van zuster en broer.

Zoo een lange poos.

Eindelijk, nauw hoorbaar meer, met de laatste inspanning lispelt ze: „dag, kinderen dag!"

Toen nog een kort gerochel, enkele snikken, een die}» zuchten en de oude vrouw is niet meer.

Stil. onbeweeglijk, staan ze naast elkaar, broeder en zuster, den starren blik onafgewend op dat gelaat. glanswit in de omlijsting der grijze haren.

Plotseling, schier werktuiglijk vallen beiden op hun knieën, uitsnikkend hun wanlioopssmart in de

palmen hunner handen en daar buiten vlak voor

het huis als een meedoogenlooze wreede bespotting

Sluiten