Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meenemen, hem en zijn vrouw naar de Lisehrunnen, naar Barnum, overal, waar ik wist, dat Eveline zou

komen; ze zouden mijn onschuld bewijzen en dan

dan zouden ze alle drie, Papa, Mama en ook Eveline, mij hun spijt betuigen; ze zouden mij vergeving vragen voor zulk een lage verdenking en ik zou ze vergeven, van harte vergeven en dan zouden wij. Eveline en ik wel te verstaan, toch gaan staan voor de vrouw met den baard, voor den man zonder beenen en voor de Siameesche tweelingen.

Ik pak de tram, de electrische, die gaat het gauwst, maar 1111 ging zij al buitengewoon langzaam, volgens mijn ideé.

Eindelijk ben ik er toch, Victoria Allee 4 ; ik bel aan, zoo zacht, zoo fatsoenlijk mogelijk als een nerveus, opgewonden man kan bellen; ik wacht, zoolang als iemand in mijn toestand kan wachten; er verlöopen een paar minuten; niemand komt; ik plak m'n oor tegen de deur; geen geritsel, geen asempje van leven in huis; ik bel weer, een beetje harder, niks, totaal niks en toch moesten ze thuis zijn; ze hadden mij immers geïnviteerd 0111 te komen dineeren, en als je iemand inviteert om te dineeren. dan ben je zelf toch ook tehuis, ten minste dat boort zoo en mijn vriend Meier is een nette, fatsoenlijke kerel; ik bel nogmaals Hink, krachtig — ze mochten eens in slaap gevallen zijn daarbinnen — de naaste buren schuiven hun ramen op en kijken mij verwonderd aan, een paar nieuwsgierige nietsdoeners op straat blijven staan — 't kon mij niks schelen, ik moest Meier hebben, hij moest met me mee naar

Sluiten