Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontbloot en gansch verloren is, dan opent het hem het harte Gods, als wel hoogst beleedigd, Wiens gramschap wij waardig zijn, maar Die nochthans barmhartig en genadig is om genadig te zijn, wien Hij wil, ja dien mensch, die met eigen willen en loopen te schande geworden, geene andere toevlucht heeft dan Gods vrije ontferming. Het Evangelie houdt ons den Heere Christus voor, hoe Hij niet alleen onze gerechtigheid is, maar ook, hoe Hij onze Hoogepriester is, die medelijden heeft met onze zwakheid, Hem welbekend, onze Voorspraak, als wij gezondigd hebben, en onzen Koning, Rechter en Wetgever, Wien wij Zijn Rijk niet behouden, maar Die ons zal behouden, (Jes. 33:22,) onze Koning om ons met Zijn Geest en Woord te regeeren en te leiden naar de hemelstad. Het legt ons geene lasten op, het neemt den last van den schouder eens vermoeiden en zegt: „W ie wil, die k o m e en neme de wateren des levens om nie t."

Van dit Evangelie zegt Luther, en het zou niet moeilijk zijn van de andere Hervormers een dergelijk getuigenis te vinden : ,,H et is de ware Schat der K e r k." In Luthers tijd zag men, hoe men eenerzijds de werken der heiligen als de schat der Kerk in eere hield, anderzijds, hoe men daarbij wandelde in de begeerlijkheden der wereld. Zoo gaat het nu immer en Luthers stelling mag ook wel onder ons weerklinken. In werken en vleeschelijke vroomheid, heiligheid en gerechtigheid boven anderen, in uiterlijken schijn van kerkherstel zoekt menigeen zijn rechtvaardigheid en dus zijn heil. hoe men ook spreekt van Christus en Zijne genade, terwijl de onboetvaardigheid in alle booze werken en wereldschen wandel openbaar is. Ook onder ons klinkt deze stelling : ,,H et Evangelie van Gods heerlijkheid en genade is de Schat der Kerk" zoo vreemd ; menigeen heeft geen tijd om naar zulk eene stelling te hooren ; de werken drijven voort, het hart is vol van eigen werk en men toont alzoo hoe men daarin zijnen schat heeft, blind voor de overtreding der heilige geboden Gods, doof voor haren vloek.

Waar is het arme zondaarshart, dat immer en immer op nieuw met dorstig hart moet hooren : »Hoe ben ik rechtvaardig voor God ?"Waar zijn de gevangenen, wien

Sluiten