Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kerk afwijken van de gerechtigheid des geloofs, van Christus, onze Gerechtigheid en Sterkte, en geene droefheid ons hart vervult over ons eigen afhoereeren en het afhoereeren der gansche Kerk van Christus, onzen rechten Bruidegom. Ja, zoo doen ook allen, die alzóó de vrijheid huldigen, dat zij heil en zegen zoeken in uitwendige verlossing en een eigenwillig afschudden van allerlei juk, en het woord der genade van Christus daarbij achterstellen. O, welk eene vrijheid om zich zeiven te ontslaan van de schuld aan het algemeen verderf der Kerk ! Heeft de Heere ook daarvan ontslagen ? Voorwaar! indien alle zulke openbaar goddelooze of vleeschelijk vrome vrijheid ons leven is, dan knabbelen wij aan de harde, ons schadelijke schaal, maar de pit en de kern blijft ons verborgen, wij zijn en blijven daarbij dienstknechten der zonde en mogen wij al meenen in het huis der Kerkhervorming en alzoo in het huis Gods vaste woning te hebben, hier blijft het gelden: „de dienstknecht blijft niet eeuwiglijk in het huis, de zoon blijft er eeuwiglij k."

Neen, wanneer ons hart niet is bij den waren schat der Kerk, bij het Evangelie der genade Gods, in de Hervorming door de Hervormers gepredikt, dan hebben wij andere schatten en kunnen de Kerkhervorming niet van harte zegenen ! Wie zullen het dan wel zijn, die God prijzen en loven voor deze weldaad, daarvoor, dat God in Luther, Calvijn en de anderen getuigen der waarheid verwekte ? Toen Luther leefde, was er (om een voorbeeld te noemen) een zekere Myconius, die ook als een der Hervormers nog met Luther in het Evangelie heeft gearbeid. Deze Myconius hoorde den aflaatkramer Tetzel zijne aflaten aanbieden met de woorden : „Ziet, nu is het de welaangename tijd, nu is het de dag der zaligheid." Het was den jongen man waarlijk om de genade Gods te doen. Zoo sprak hij dan nu tot den aflaatkramer: ,,Ik ben een arme zondaar, en heb aan eene vergiffenis om niet behoefte." De aflaatkramer vorderde echter geld, en Myconius moest betalen, en hij werd onmeedoogend weggezonden, omdat hij niet had. „Daarover was ik zeer bedroefd ' zegt hij, „maar ik gevoelde in mij eenen Trooster, Die mij zeide, dat er een God in den hemel is, die zon-

Sluiten