Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevredigd worden, zouden tc verklaren zijn uit onkunde aangaande de krachten, die ons maatschappelijk zijn — het eenige waarneembare, dus werkelijke — bepalen.

Die strijd moge in zijne noodzakelijkheid en einddoel zijne rechtvaardiging vinden, en gezien den nadeeligen invloed van stoffelijke misstanden op geestelijk leven, zijn waarde hebben als middel om voor beter, hooger geestelijk leven ruim baan te maken; wie niet meer tegen dien strijd opziet, maar krachtens zijne in den strijd opgedane ervaring in staat en bevoegd is er op neer te zien, die weet dat er behalve den maatschappelijken strijd nog een andere is, de strijd, waarvan de eeuwen door en van elk geslacht de edelste figuren gewaagden, de strijd die gevoerd wordt om levenswaarheden, om beginselen, om de groote vraagstukken die voor eiken meusch rijzen die ernstig heeft nagedacht over de waarde en het doel van zijn stoffelijk, maar vooral van zijn geestesleven, de strijd die door een elk gevoerd wordt, die de moeielijklieden des levens kent, in zich zelf behoefte aan waarheid, gerechtigheid en liefde heeft ontdekt en erkennen moet dat do werkelijkheid, zooals zij zich aan ons voordoet tot tal van vragen, pijnlijke vragen soms, aanleiding geeft. Het is de strijd, dien Job bedoelde toen hij in het diepst zijner ellende, tobbende over de oorzaken van zijn leed, de vraag stelde: heeft niet de mensch een strijd op aarde? de strijd die ons de liefde en de eerbied verklaart waarmede juist menschen die veel doorleefd, geleden en over hunne ervaringen nagedacht hebben tot Jezus, den Man der Smarten, opzien.

En er is niemand of hij kent dien strijd van nabij en stelt zich ids hij zich van de reden en de waarde van zijn bestaan rekenschap geeft, de vraag: Waarom zijn wij er toch? Waarvoor leven wij? Waarom dat leven in mij als het einde toch de dood is? Wat is de macht die mijn leven bestuurt? Of bon ik aan een blind noodlot ten prooi en is al dat schoone heilige, waarvan mijn geweten getuigt en dat ik vaak in tranen en veel vertwijfeling en innerlijke worsteling veroverd heb, maar bedrog? Eu als dat leven van mijn geweten, waarvan ik de noodzakelijkheid erken, op straffe van wroeging en smart dan zoo werkelijk en waar is, wat doe ik, mensch, met zoo'n geweten dan in zoo'n koud heelal, waarvan

Sluiten