Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanten, maar vooral met u, mijn hooggeschatte vriend Alting, dien ik bij dezen voor uw hartelijk woord van hedenmorgen dank, en met wien ik hoop nog vele jaren voor ons thans gemeenschappelijk heerlijk werk te mogen samenwerken, waarbij de goede gezondheid en zeldzame toewijding, die ik thans in U waardeer, nog lang Uw deel mogen zijn, bij mij de overtuiging deed rijpen dat voor mijn voorzichtigen twijfel geen reden was en dat de Macht, waarvoor ik steeds in mijn leven gebogen had, en die ik als werkelijkheid in mij voelde, niet te verklaren is tenzij dan dat wij den sprong durven wagen in liet rijk dis geloofs en als Gods openbaring aanvaarden, wat wij als eeuwige waarheid in ons voelen.

Zoo werd de conclusie uit mijn ervaringen en overwegingen, maar meer nog van hart en geweten dat ik niet buiten godsdienstig geloof kon, dat eene godsdienstige levensbeschouwing mij voorkomt meer te verklaren dan de tegenovergestelde en dat ik, bij de vele vragen, die onbeantwoord blijven en steeds opnieuw rijzen meer vrede, meer rust, maar vooral meer kracht en levensliefde heb indien ik aanneem gedragen te worden door eene Macht, hoog en heilig, die mij te midden van alle levenswendingen, aan do hand der met oprechtheid gediende waarheidsliefde, leidt waar zij meent dat ik op mijne plaats zal zijn, — dan dat ik als arme, dolende ridder met den idealen en godsdienstigon zin in mij moet ronddwalen in eene wereld, waarin alles wat voor mij de hoogste werkelijkheid, de onmisbaarste levensbehoefte is voortdurend verklaard wordt tot ijdele waan en bewijs mijner geestelijke achterlijkheid.

Ziehier M. H. U openhartig blootgelegd wat er in de laatste jaren in mij omging en wat mij bewoog mij weder voor het ambt, dat ik indertijd wel vrijwillig maar met leedwezen nederlegde, beschikbaar te stellen. Maar ziehier tevens het kort begrip van het standpunt, dat ik als herder en leeraar in Uw midden wensch in te nemen. Maar laat ons eer wij verder gaan met elkander zingen en wel van

Gezang 220:1 en 7.

En nu M. H. nog iets over de beginselen die ik in Uw midden

Sluiten